Handen omhoog of ik schiet! Over veiligheid om te leren

Als er één ding is waar we als mensheid ongelooflijk dankbaar voor mogen zijn, dan is het wel het feit dat we -enkele uitzonderingen daargelaten- het verschil tussen spel en werkelijkheid kennen. In spel zijn mensen namelijk over het algemeen erg onaardig. Ze veroveren elkaars landen, schieten elkaar neer, ruineren elkaar, meppen elkaar van het speelbord af, en hebben immense lol als hun tegenstander jammerlijk ten onder gaat. Bij ‘dramatisch spel’ (zoals de omschrijving vroeger zo mooi heette), oftewel toneel, is het al niet veel beter: Medea brengt haar kinderen om, Richard III moordt zich een weg naar de troon, en George & Martha (“Wie is er bang voor Virginia Woolf”) vechten elkaar, bijgestaan door liters whisky, het huis uit. Laurel & Hardy schoppen, slaan, knijpen, en steken elkaar -letterlijk- de ogen uit, in de commedia dell’arte mept iedereen om zich heen dat het een lieve lust is, en zelfs de slapstick-achtige taartsmijtgevechten, of de kluchtige overspelstukken zijn nou niet bepaald een moreel voorbeeld voor de opgroeiende jeugd. Waarom appelleert spel toch zo aan agressie? En hoe zorgen we er binnen serious games voor dat -ondanks, of misschien wel dankzij- het spelelement ‘strijd’ een positief effect houdt binnen een leeromgeving?

Het grootste taartsmijtgevecht ooit (in een film): Tony Curtis en Natalie Wood in ‘The great race.’

Cultuurhistoricus Johan Huizinga muntte in zijn -nog steeds actuele- boek ‘Homo ludens’ de term ‘de magische cirkel’: “Spel is niet het ‘gewone’ of ‘eigenlijke’ leven. Het is een uittreden daaruit in een tijdelijke sfeer van activiteit met een eigen strekking.’ Het idee van ‘uittreden’, en daarmee tegelijkertijd het betreden van een apart territorium, waarbinnen andere regels gelden, zien we bij meer speltheoretici. Beckermann definieerde ‘drama’ als ‘a situation where one or more persons present themselves to others in imaginary acts, isolated in time and space.’ Theaterpedagoog Konstatin Stanislavski gebruikte in zijn boek ‘Lessen voor acteurs’ het begrip ‘magische-Als’ , “de hefboom om ons boven het dagelijkse leven uit te tillen tot het niveau van de verbeelding.” Spel is ‘niet echt’, en mag ook nooit verward worden met de realiteit. Gebeurt dit wel, dan is er sprake van een psychose, en dient een arts te worden geraadpleegd.

Konstatin Stanislavski, introduceerde de term ‘Magische-Als’

Als ik beginnende spelers in een oefensituatie breng waarin ze enkel ‘hun spelimpulsen hoeven te volgen’ dan weet ik dat ze binnen een paar minuten dingen van elkaar willen afpakken , elkaar achterna gaan jagen, maar ook troost zoeken bij de ander, de slappe lach krijgen, kortom, dat ze hun meest primaire emoties aanraken. Dit is in mijn ogen de elementaire kracht van spel: het doorbreekt het laagje civilisatie dat de meeste mensen -goddank- in zich hebben, en biedt ruimte aan onze primaire en primitieve behoeftes. Aan het bezitten van eerste levensomstandigheden, aan veiligheid, aan voortplanting, aan status.

Het leuke van spel is dat dit gebeurt binnen spelregels. Ik mag mijn tegenspeler op het toneel de huid volschelden, maar na de voorstelling drinken we een biertje omdat het ‘niet echt’ was. Ik kan bij Monopoly de ander ten gronde richten, maar het is ‘maar spel.’ Godfried Bomans schreef in een van zijn komische sportverhalen over een schaker die die na een onhandige zet “een eind hout te voorschijn haalde en zijn tegenstander de hersens insloeg. De scheidsrechter keurde dit af.” ‘Fantasy dangers do not kill’ luidt de gevleugelde spreuk. Als het echt pijn gaat doen is het geen spel meer.

Binnen mijn afstudeerproject stuitte ik op een artikel van enkele Amerikaanse psychologen: Myers, LaRue, en Ashford. Zij analyseerden de omstandigheden waarbinnen ‘agile learning’ (‘wendbaar leren’, oftewel het leren in de praktijk) effectief plaats kan vinden. Een van hun conclusies was dat leren in de praktijk alleen plaats kan vinden als er sprake is van ‘psychological safety’ en de mate waarin er binnen de omgeving sprake was van ‘focus on doing it right.’ Met andere woorden: als er in een leersituatie sprake is van ‘echte risico’s’ (‘the dangers dó kill’) dan durven mensen logischerwijs niks meer te veranderen aan hun gedrag. Ze experimenteren niet meer, ze willen geen fouten maken, ze zijn alleen maar bezig om het ‘goed te doen.’ In het artikel wordt bijvoorbeeld verwezen naar politici die zó onder een vergrootglas liggen van media en kiezer, dat ze in hun eigen ogen geen enkele fout mogen maken. Binnen zo’n onveilige context valt er weinig meer te leren.

Een oefensituatie -zoals een serious game- moet een zekere mate van ‘onechtheid’ bevatten. Eerder schreef ik al dat binnen rollenspelsimulaties er door deelnemers vaak wordt geroepen: “Het is niet echt.” “Goddank”, denk ik dan, “In het echt had je nooit dit gedrag durven uitproberen, of anders was je genadeloos afgestraft.” Het is ‘de magische-Als’ die zorgt voor veiligheid, het zijn de ‘imaginary acts’ die maken dat er geen echte gevolgen zijn bij het maken van een fout.

Scene uit de film ‘Fight club’. Het is een spel, maar het bloed en de pijn zijn echt.

Maar…. Snappen alle deelnemers, spelers, cursisten, leerlingen dit? En alle trainers, opleiders en docenten? Kunnen zij net zo goed het onderscheid maken tussen spel en werkelijkheid? Het is een lastig gebied, zeker wanneer het leren plaatsvindt in een gesimuleerde omgeving die sterk lijkt op de realiteit van de deelnemer, of speler. In hoeverre ervaart diegene dat het allemaal ‘niet echt’ is? Het vinden van een balans tussen ‘dit is eigenlijk de werkelijkheid’ versus ‘het is maar een spelletje’ is in mijn ogen misschien wel dé uitdaging bij het creëren van een ‘gesimuleerde werkelijkheid’ (de term houdt niet voor niks al een contradictie in). Maar belangrijk is: accepteer dat het ‘spel’ is, en nooit volledig de werkelijkheid zal evenaren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *